Domme Galaten, wie heeft jullie behekst? Jezus Christus was u toch openlijk en duidelijk verkondigd als gekruisigd! Dit wil ik alleen maar van u horen: hebt ge de Geest ontvangen door de wet te volbrengen of door gelovig te luisteren? Hoe kunt ge zo dom zijn! Ge zijt begonnen met de Geest, wilt ge nu eindigen met het vlees? Hebt ge zoveel meegemaakt voor niets? Dat kan ik niet aannemen. Nogmaals: Hij die u de Geest verleent en onder u wonderen werkt, doet Hij dat omdat ge de wet onderhoudt of omdat ge luistert en gelooft?
Een Redder heeft Hij voor verwekt in het geslacht van David, zijn dienaar, Zoals Hij reeds van oudsher had verklaard bij monde van zijn heilige profeten. Verlossing uit de macht van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten. Zo zal Hij onze vaderen barmhartig zijn, zijn heilige verbond gestand doen; De eed aan onze vader Abraham gezworen ons eenmaal te verlenen: Om aan de greep van vijanden ontrukt Hem zonder vrees te dienen; In vroomheid en gerechtigheid al onze dagen voor zijn aanschijn.
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: 'Stel, iemand van u heeft een vriend. Midden in de nacht gaat hij naar hem toe en zegt: Vriend, leen mij drie broden, want een vriend van mij is van een reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten. Zou die ander van binnen uit dan antwoorden: 'Val me niet lastig, de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed; ik kan niet opstaan om het je te geven? Ik zeg u: als hij al niet opstaat en het hem geeft omdat hij zijn vriend is, zal hij toch opstaan en hem geven al wat hij nodig heeft, om zijn onbescheiden aandringen. Tot u zeg Ik hetzelfde: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, wordt opengedaan. Is er soms onder u een vader die aan zijn zoon een steen zal geven, als deze hem om brood vraagt? Of als hij om vis vraagt, zal hij hem toch in plaats van vis geen slang geven? Of als hij een ei vraagt, zal hij hem toch geen schorpioen geven? Als gij dus, ofschoon ge slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader in de hemel de heilige Geest geven aan wie Hem erom vragen.'
Je moet geen gebrek aan vertrouwen in God hebben en ook niet wanhopen wat betreft zijn barmhartigheid. Zing tot de Heer met de woorden van de profeet: "Zoals de ogen van slaven op de hand van hun meester staan gericht, zoals de ogen van een slavin op de hand van haar meesteres staan gericht, zo staan onze ogen gericht op de Heer, om te zien of onze God genadig wil zijn. Wees ons genadig, Heer, wees genadig, want wij zijn zo lang al zo diep gekwetst" (Ps 123, 2-3)... Als we echt minachting hebben voor onze grote hoeveelheid zonden, moeten onze ogen toch naar de Heer onze God gericht blijven, totdat Hij zich over ons ontfermt, en we moeten niet stoppen met smeken totdat Hij ons vergiffenis van onze zonden geeft. De constante en vasthoudende ziel behoort zich immers nooit van de volharding in gebed af te keren uit wanhoop niet verhoord te worden, maar onafgebroken blijven aandringen in gebed, totdat God zijn barmhartigheid toont. Denk niet dat je de Heer beledigt door aan te dringen in je gebeden, aangezien je het verdient dat er naar je geluisterd wordt, herinner je de parabel van het Evangelie. Je zult ontdekken dat zij die tot God bidden met een opdringerige aanhoudendheid, God niet onaangenaam zijn, want er is gezegd: "Al zou hij niet opstaan en het hem geven, omdat hij zijn vriend is, dan zal hij toch om zijn lastig aanhouden opstaan, en hem geven al wat hij nodig heeft". Begrijp dus dat het de duivel is, die ons ingeeft om te wanhopen dat we niet verhoord zullen worden, opdat de hoop op de goedheid van God terugkomt, welke het anker van ons heil is, het fundament van ons leven, de gids op de weg die naar de hemel leidt. De apostel Paulus zegt het reeds: "Wij worden gered door de hoop" (Rom 8,24).
Broeders en zusters, ik ben naar Jeruzalem gegaan, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee. God had te kennen gegeven, dat ik moest gaan. Ik legde hun - dat wil zeggen, de mannen van aanzien - in besloten vergadering het evangelie voor, dat ik onder de heidenen verkondig. Ik wilde er zeker van zijn, dat ik niet voor niets had gewerkt of zou werken. Zij, van hun kant, zagen in, dat aan mij het evangelie was toevertrouwd voor de heidenen, juist zoals aan Petrus het evangelie was toevertrouwd voor de joden. Want Hij, die Petrus gesterkt had voor het apostelschap onder de joden, had mij kracht gegeven om apostel te zijn bij de heidenvolken. Zij erkenden dus de mij geschonken genade en zij - dat wil zeggen Jakobus, Kefas en Johannes, die steunpilaren - reikten Barnabas en mij de hand als teken van gemeenschap: wij zouden naar de heidenen gaan, zij naar de joden. Maar wij moesten wel hun armen blijven gedenken, wat ik dan ook van harte gedaan heb. Maar toen Kefas in Antiochië kwam, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, want het ongelijk was duidelijk aan zijn kant. Eerst at hij gewoon met de heidenchristenen mee, maar toen sommige mensen van Jakobus gekomen waren, begon hij zich terug te trekken en zich afzijdig te houden uit vrees voor de mannen van de besnijdenis. De andere joodse christenen deden aan dit spel mee; zelfs Barnabas liet zich door hun veinzerij meeslepen. Toen ik zag dat hun gedrag niet strookte met de waarheid van het evangelie, zei ik tegen Kefas waar allen bij waren: “Als jij, een geboren jood, leeft als een heiden en niet als een jood, met welk recht kun je dan de heidenen dwingen om te leven als joden?”
Hier staan overwegingen die in Weesp of Muiden gedaan zijn.